‘Waarom besteed je zoveel tijd met Eritreeërs?’, vraagt iemand me wel eens. ‘Omdat het leuk is, en omdat het nodig is’, antwoord ik meestal. In deze blog leg ik uit waarom.

Mijn Eritrese vrienden en ik hebben elkaar nog steeds veel te vragen en te vertellen omdat we uit verschillende culturen komen. Door om te gaan met Eritreeërs leer ik zoveel nieuwe dingen: Ik proef hun eten, leer woorden Tigrinya, maar vooral: ik maak kennis met een andere manier van denken en leven.

Doop

Mekonens* vrouw en zoontje zijn dik een jaar geleden naar Nederland gekomen. Zijn dochter is hier twee maanden geleden geboren, dus is het bijna tijd voor haar doop. Ongeveer de helft van de Eritreeërs is Orthodox Christelijk. Als er een baby wordt gedoopt, zit de familie de hele ochtend in de kerk en is het de hele middag en avond feest in huis. Dagen van tevoren worden er ‘hulptroepen’ ingeroepen om te helpen bij de boodschappen en het koken. En dagen later slapen er soms nog gasten in huis, die van ver komen.

Mekonen belt me op om de plaats en tijd van de doop door te geven. Acht uur ’s ochtends, in een dorp in het oosten van het land. Mijn hemel, waarom beginnen die kerken toch zo vroeg? Maar natuurlijk kom ik. Mekonen is mijn maatje; al vanaf het moment dat ik hem leerde kennen in de noodopvang, eind 2015, kunnen we goed met elkaar opschieten. Hij is open en nieuwsgierig en andersom kan ik aan hem ook van alles vragen.

‘Ik wil nog iets vragen.’ Ik hoor twijfel in zijn stem, maar hij stelt zijn vraag toch. ‘Wil jij de peetmoeder van mijn dochter worden?’ Wow! Wat een enorme eer! Ik vind het erg bijzonder dat hij daar een Nederlander voor vraagt. Er is wel een praktisch bezwaar: ik ben niet christelijk en zelfs niet anderszins gelovig. Maar dat had Mekonen al lang bedacht. ‘Ik heb met de priester gepraat. Hij zegt dat het wel kan, maar dan moet je eerst zelf gedoopt worden.’ Ik kan hem bijna horen denken: ‘Please, please, doe het’. Maar nee, dat gaat me echt veel te ver. ‘Weet je wat? Ik word wel de atheïstische peetmoeder van je dochter. Dan bedenken we later wel wat dat precies betekent.’ Mekonen is een beetje teleurgesteld, maar stemt er mee in.

Vragen

Niet alleen feestelijke gebeurtenissen, maar ook de dagelijkse gesprekken met Eritreeërs maken onze vriendschap zo bijzonder. We komen uit zulke verschillende landen. Heel veel wat voor mij vanzelfsprekend is, is dat voor hen niet. En andersom! Dus we hebben altijd gespreksstof. Ik maak mee wat Johannesdag is, en krijg les in koffie branden, malen en zetten. Ik leer dat Tigrinya, de belangrijkste taal van Eritrea, Italiaanse én Arabische woorden bevat. Mijn Eritrese vrienden vertellen dat hun ouders hun man of vrouw voor ze uitzochten. Ze doen voor hoe je meet hoe lang de ploeg moet zijn die je achter je os spant. En soms vertellen ze dat de politie in Eritrea ‘s nachts een dorp omsingelt en ieders papieren controleert. Wie niet in het dorp woont, en geen toestemmingspapier heeft om het te bezoeken, wordt afgevoerd naar de gevangenis: een overvolle ondergrondse container waar wordt gemarteld.

Ik had echt geen idee!

Van mijn kant vertel ik dat ik gelukkig ben zonder geloof en zonder kinderen, dat de meeste Nederlanders dat normaal vinden, en dat het me niks lijkt om met mijn moeder in één huis te wonen. Ik laat zien hoe de ING-app werkt en leg het verschil tussen bruto- en nettosalaris uit. We gaan naar de ondergrondse speeltuin Tunfun en een theater in een voormalige kerk en doen mee met een les capoeira. We vullen samen de meterstandenkaart in en sluiten online een WA-verzekering af. We proeven rauwe vis en warme wijn.

Ze hadden echt geen idee!

Er blijft zoveel te vragen en te vertellen. Ik leer met ‘nieuwe ogen’ naar mijn eigen leven en gewoontes te kijken. Dat zorgt ervoor dat ik extra dankbaar ben dat ik ben geboren in een land en een gezin zonder grote problemen. Maar ik vind het vooral heel bijzonder om zoveel te leren over een land waar ik nooit geweest ben en waar de kranten maar mondjesmaat over schrijven: Eritrea.

Voorlopig ben ik nog niet klaar met ‘die Eritreeërs’!

 

*Alle namen zijn verzonnen.

Over de auteur:

Tanja te Beek was vrijwilliger in de noodopvang voor asielzoekers in Amsterdam, en schreef daarover het boek ‘Wachtkamer Havenstraat’. Samen met twee anderen richtte ze stichting Sedrabet (‘familie’ in Tigrinya) op, die zich inzet voor Eritrese statushouders. Ze is daarnaast werkzaam als docent NT2, Nederlands als Tweede Taal.

 



Naar al het nieuws